In den loop der week (van 15 – 20) wordt ’t leger reeds voor een groot deel gedemobiliseerd. Naarmate de jongens in rustiger kwartieren komen, komen ook de verhalen over den strijd, de nederlaag en . . het verraad. Vooral de mededelingen over de parachutisten (parachute - springers, valschermspringers, valschermjagers, luchtinfanteristen: men hoort ze op allerlei manier aanduiden) zijn belangwekkend. De idiote fabels van als nonnen, geestelijken en verpleegsters – verklede parachutisten verdwijnen als bij toverslag.
’t Verhaal van De Leeuw, leraar in Handenarbeid aan mijn school, een nuchter objectief man is wel ’t overtuigendst. Hij lag als soldaat - genist in Schoonhoven, eigenlijk in de Alblasserwaard ten zuiden van Schoonhoven. Hij zegt: Er werd alarm gemaakt. Vliegtuigen. Plotseling was ’t alsof het sneeuwde. De lucht zat vol valschermen, die langzaam daalden. Wij met mitrailleurs en onze karabijnen schoten zo hevig en juist, dat de eerste massa doorzeefd beneden kwam. Toen was onze munitie op en wij kregen geen meer. Maar de parachutes bleven dalen in grote hoeveelheden. Beneden gekomen verenigden de parachutisten zich in secties en stormden naar de aangewezen doelen. Er was geen sprake van individueel min of meer geheim of tersluiks optreden. ’t Was als met de gummiboten op de rivieren: massa’s opofferen om van een tijdelijke stagnatie in ’t vuren, door heetlopen van mitrailleurs of gebrek aan munitie bij de verdedigers, vasten voet te krijgen, zich in te graven en uit handmitrailleurs en automatische karabijnen ’t vuur te openen. Dan komt de vliegtuig - eskadrille terug en ondersteunt hen door laag vliegende met de mitrailleurs de weiden af te zoeken naar de Hollandse formaties, die, gemakkelijk vindbaar door de afstekende kleur der helmen, („’t lijken van boven gezien blinkende speldenknoppen, bijzonder gemakkelijk te vinden” verzekerde een Duits vliegenier), een zeker doelwit vormen. Dit mitrailleur - vuur uit de lucht van hoogten, niet hoger dan een huis, dat onophoudelijk cirkelen, en keren boven de ongelukkige dekkingloze genietroepen, verklaarde De Leeuw, was om krankzinnig te worden.
De munitie – voorziening, ongeoefend en berekend voor een stellingenoorlog faalde volkomen. Toen er een kist patronen kwam, bleek zij gevuld met kiezel! (Dit laatste verbijsterende feit heeft zich in heel Nederland voorgedaan, evenals de vervanging der springlading in bruggen enz. door zand, ’t verkeerd aanleggen van springlading aan bomen, die over de sloot vielen in plaats van over den weg, ’t onklaar maken van sluizen, waardoor ’t water wegvloeide, ja zelfs ’t gebruik van zand als vulling voor granaten!
Generaal Winkelmann, de oud – opperbevelhebber van Land en Zeemacht heeft verklaard (moeten verklaren?) dat hem geen feiten bekend zijn die op verraad wijzen, maar dat hij uitvoerige mededeling met plaats naam en datum wacht. Karrenvrachten zou hij kunnen krijgen, maar niemand waagt graag zijn leven).
Ellendige ervaringen heeft hij, De Leeuw, gehad met ’t lagere beroepskader, dat geen enkel initiatief ontwikkelde en krampachtig en stompzinnig vasthield aan in de omstandigheden belachtelijk geworden dienstvoorschriften. Toen bij ’t „alarm: parachutespringers” de troep moest uitrukken voor de vervolging in ’t open veld, moest eerst nog de vetlap over den helm of ’t een parade gold. En ’t uitrukken moest geschieden met volledige bepakking! Na 2oo M tirailleren, springen, dekken, dreven allen van ’t zweet en smeten tegen ’t consigne in alles ter zijde om zonder jas, alleen met helm, karabijn en patroontassen de vervolging voort te zetten.
De L. verklaarde mij ook, hoe verwarring ontstond door de uniformen. De uniform der parachute - spr. was niet een namaak van de onze al leek zij er enigszins op. Zij had gele schouderbedekkingen, die evenwel verdwenen voor ’t oog in de boterbloemen der weiden. Van injecties aan de par - spr., van neerwerpen door openklappen van den bodem van ’t vliegtuig geloofde hij niets. Niets dergelijks heeft hij kunnen constateren. Hij heeft wel geconstateerd en geconcludeerd (wat ook voor de hand ligt) dat deze p. – spr. een corps, bestaande uit fanatieke, doodverachtende, zelfbeheerste, voor hun doel tot ’t uiterste getrainde, gezonde, taaie kerels met een verbazingwekkenden moed en tegenwoordigheid van geest waren. (Janitsjaren!). Met slappe vaatdoeken richt men niets uit, al worden ze met cocaine - injecties geactiveerd! (Van andere zijde vernam ik, dat deze, vaak zeer jonge, kerels behalve hun wapens (waarnaast een pionniersschop) ook toiletartikelen en sportkleding bij zich hebben: men heeft dan ook opgemerkt, dat, als ze niet vochten, ze direct met athletiek bezig waren! Dat klinkt aannemelijker dan de fantasieën van vermommingen als non!
Bitter werd De Leeuw, toen hij ’t verhaal deed van den dood van zijn vriend. Zij lagen onvoldoende gedekt in ’t veld; een eskadrille was over hen heen geraasd. Hij stiet zijn vriend aan, die naast hem lag: „Opstaan! Dekking zoeken!” Zijn vriend bewoog niet; vlak naast hem op armlengte afstand had een mitrailleurskogel zijn hersens doorboord: geen geluid had hij gegeven, geen beweging had hij gemaakt.
Er waren meer gevallenen. Toen men gelegenheid kreeg hen te „begraven” in een gemeenschappelijken kuil en de compagnie voor de laatste eer aangetreden stond, werd er van achter door burgers op hen geschoten. Een leger, dat het mooie lied: „Morgenrot!” in deze tijden zo vaak en zo weemoedig zingt, kan de „hulp” van deze sadistische duivels niet op prijs stellen. Daar ben ik zeker van. Dat overigens overal de Nederlandse militairen door eigen landgenoten (of ook hier lang woonachtige Duitsers, halve en kwart Duitsers) beschoten zijn, vanuit dakramen (Wassenaar K.), vanuit brievenbussen (Alkmaar, Dordt) dat zijn feiten die door geloofwaardige ooggetuigen op zo onderscheiden plaatsen zijn waargenomen, dat Winkelmann dat wel zonder getekend bewijs voor waar mag aannemen. Daarbij slappe, zorgeloze leiding. Van officieren, niet berekend voor hun taak, jongeren zonder ervaring, anderen vastgeroest in academische opvattingen en helaas vaak mensen, die de mobilisatie als een aangename, door een mooi salaris vriendelijk gekleurde tijdpassering beschouwden. Zij zijn er in alle tijden en bij alle volkeren geweest; maar bij ons waren er te veel. Tegen die lichtzinnigheid en lamlendigheid kunnen de flinke kerels, (Ronberg) (zou evt. ook Ronhaar kunnen zijn, die naam komt vaker voor; red.) die er toch waren, niet op!
De Leeuw vertelt: „In de uiterste spanning, toen wij een brug moesten bewaken (als „soldats perdus”) om den aftocht te dekken van een legerkorps, dat uit Braband was gekomen en reeds min of meer in wanorde achter de Hollandse waterlinie een steunpunt zocht, werd ik door de officieren van mijn compagnie met mijn eigen auto naar Schoonhoven gezonden, een onderneming, waaraan over ’t hele traject lijfsgevaar verbonden was. Ik moest een brief bezorgen en op antwoord wachten. Na bezorging bleek dit bericht te bevatten ― een verzoek om toezending van . . . cigaretten en vlees voor de H.N. officieren!” Daarover waren deze heren bekommerd, daarvoor zonden zij een ondergeschikte, echtgenoot en vader van 3 kinderen desnoods den dood in!
Veel andere dingen heeft De L mij nog verteld, die ik mij niet meer herinner. Alleen nog dit: Men had in de afdeling al gauw ingezien, dat de helmen niet deugden. Deze droegen aan de voorzijde een metalen heraldieken leeuw, afzonderlijk er op bevestigd. Dit teken, deed het nut van den helm te niet, daar de kogels niet afketsen, maar zich juist in de oneffenheden ingroeven. Dit was na ’t eerste treffen, ook voor den onnozelste, duidelijk. Toch kreeg men geen permissie die dodelijke dingen te verwijderen. In ’t veld gingen echter de mannen hun gang: met hun pionniersschop stieten zij de noodlottige versiersels van de helmen af en bestreken de blinkende plekken, die achterbleven met koemest. Zo beoefenden zij mimicry tegen de dienstvoorschriften in. En dat terwijl de parachute - springers hoezen van verschillende kleur bij zich droegen om te gebruiken, alnaar de bodembedekking dit raadzaam deed schijnen! Och! Onze jongens hadden gezond verstand genoeg. Jammer dat de legerleiding niet een klein beetje had kunnen overnemen.
20 mei 1940 (maandag)
Zaterdag kwam Van Dijk bij me. Ik sprak met hem af, dat we in ieder geval Dinsdag 21 mei de school beginnen zouden, desnoods met z’n beiden en met de leerlingen die we bereiken konden.
Ik telefoneerde ’t Hart en vroeg hem hoe ’t met de eindexamens zou gaan? Alles moest volgens de vóór den oorlog vastgestelde regeling. Uitstel van schriftelijk ex. voor Amersfoort kon niet. Verandering van volgorde in de groep? Geen denken aan. „Périse le monde, plutôt que l’agenda de Mr l’Inspecteur” Mej. Houben had verzocht onze groep te mogen ruilen voor die van Van Loon (Rotterdam Den Haag) met ’t oog op de slechte spoorverbindingen. Onmogelijk: dan zou Mej Houben daar Wiskunde te beoordelen gekregen hebben en dat kon toch niet! (Wat wel kon was, dat Oostveen na de examenklas voor Handenarbeid opgeleid te hebben, nu ook voor onze groep als gecommitteerde zou optreden, wegens ziekte van den aangewezen Heer Van Dam).
Ik uitte den Heer ’t Hart mijn bezorgdheid, dat ik nog geen contact met Mej. Houben gehad had; dat was, deelde hij mede, geen wonder; ik moest beginnen met de examenopgaven en roosters in te zenden! Ik dacht: So lang es solche Manner gibt, ist Polen nicht verloren” Saevis tranquillus in undis. Dat er naast „solche Männer” ook nog „solche Weiber” bestonden heb ik een paar dagen later van de gecommitteerde voor Handwerken Mej De Boer, ervaren.
Ik weet niet welken indruk dit alles maken zou, als later, in rustiger tijden, iemand dit geschrijf mocht lezen. Ik kan alleen dit zeggen: dit onnozel, hersen - en harteloos formalisme, dit benepen zich vastklemmen aan een schema, een agenda, dit totale gemis aan fantasie en invoeling in anderer toestand heeft mij menige hartgrondige verwensing tussen de tanden stuk doen kraken.
Wij hebben in Amersfoort niet ’t allerergste meegemaakt, al zijn er buitenleerlingen geweest, die bij hun thuiskomst van hun huis geen steen meer op den anderen vonden; maar de angst, de vlucht, de geestelijke en lichamelijke ontreddering der evacuatie, die allen, leraren en leerlingen, hebben moeten doorstaan, waren grond genoeg voor wat overleg. Clementie vraag ik niet! Ik heb alles met ambtelijk gezicht meegedeeld, maar de reactie, al bleef ieder plichtmatig in den vorm, was bij allen dezelfde: die van een opstandige verontwaardiging en bitterheid.
Ik zond alle leerlingen bericht dat Dinsdag 21 en Woensdag 22 (Afd B) de lessen zouden beginnen. Zondag kwam Rozendaal binnen. Hij vroeg mij of niet ’t eerste, wat ik in school doen zou, zou zijn: ’t portret van de Koningin buiten te smijten. Ik bracht hem tot kalmer gedachten.
De Visschers waren Zaterdag naar hun eigen woning vertrokken. Zo was ’t weer stil in ons huis. Thans kwamen de treinen met evacuanten weer regelmatig aan en de stad kreeg een levendiger aanzien. Maar wat een haveloos aanzien bood alles nog met al dat prikkeldraad, die omgekapte bomen, vergraven plantsoenen en die rommelige winkels met beplakte ruiten, die stapels zandzakken voor bankgebouwen enz. Veel moois (b.v. oude bomen) is verdwenen.
Hoe meer mensen terugkwamen, hoe meer gevallen bekend werden van roof en vernieling in de verlaten huizen: in de eerste plaats sigaren - en schoenwinkels. Men meende aanvankelijk de schuld te mogen werpen op de afgetrokken soldaten van ′t 7e Rgt (Amsterdammers!). Maar ’t bleek te duidelijk, dat in de allermeeste gevallen burgers, ja georganiseerde bendes met vrachtauto’s uit Utrecht) aan den gang zijn geweest.
’t Blijkt, dat, zolang de politie bestaat, het moeilijk uit te maken is, wie een schurk is en wie niet. Met maatschappelijken welstand heeft dit niet te maken: Vertelde niet juffr. Schueller, dat na ’t bombardement van Nijkerk, in de puinhopen van den winkel van haar neef een welgestelde boer was aangetroffen, die voorzien van een paar manden aan ’t zoeken was naar nog bruikbaar glas - en kristalwerk!
Vertelde Jaap van Maanen van Hoevelaken niet, dat volgens een ouderling de dieven die zijn (Jaap) vaders winkel hebben leeggestolen, moeten gezocht worden onder de luitjes, die elken zondag vooraan in de kerk zitten en ’t ijverigst den dominee nalopen. Zo is ’t nu – maar in 1914 was ’t in Dendermonde en ook in Zeeuws - Vlaanderen ’t zelfde. ’t Gaat met de veredeling van ’t menselijk geslacht een sukkelgangetje.
In Rotterdam ging ’t niet anders. Gerard schrijft, dat Frans als lid van een nachtelijke hulp - veiligheidsdienst al tweemaal zo’n rover tegen den grond heeft moeten slaan. In Zeeuws - Vlaanderen – schrijft Karel – hebben de vluchtende Waalse soldaten op ergerlijke manier in de dorpen Baalhoek, De Paal en Emmahaven den baas gespeeld.
Omtrent de Duitsers niets dan lof. ’t Is triest dit alles te moeten zeggen vooral van ons volk; maar de Führer schijnt een groot paedagoog te zijn. Hij heeft andere tuchtmiddelen dan onze kerken en scholen, maar zijn resultaten zijn beter.
Ik telefoneerde ’t Hart en vroeg hem hoe ’t met de eindexamens zou gaan? Alles moest volgens de vóór den oorlog vastgestelde regeling. Uitstel van schriftelijk ex. voor Amersfoort kon niet. Verandering van volgorde in de groep? Geen denken aan. „Périse le monde, plutôt que l’agenda de Mr l’Inspecteur” Mej. Houben had verzocht onze groep te mogen ruilen voor die van Van Loon (Rotterdam Den Haag) met ’t oog op de slechte spoorverbindingen. Onmogelijk: dan zou Mej Houben daar Wiskunde te beoordelen gekregen hebben en dat kon toch niet! (Wat wel kon was, dat Oostveen na de examenklas voor Handenarbeid opgeleid te hebben, nu ook voor onze groep als gecommitteerde zou optreden, wegens ziekte van den aangewezen Heer Van Dam).
Ik uitte den Heer ’t Hart mijn bezorgdheid, dat ik nog geen contact met Mej. Houben gehad had; dat was, deelde hij mede, geen wonder; ik moest beginnen met de examenopgaven en roosters in te zenden! Ik dacht: So lang es solche Manner gibt, ist Polen nicht verloren” Saevis tranquillus in undis. Dat er naast „solche Männer” ook nog „solche Weiber” bestonden heb ik een paar dagen later van de gecommitteerde voor Handwerken Mej De Boer, ervaren.
Ik weet niet welken indruk dit alles maken zou, als later, in rustiger tijden, iemand dit geschrijf mocht lezen. Ik kan alleen dit zeggen: dit onnozel, hersen - en harteloos formalisme, dit benepen zich vastklemmen aan een schema, een agenda, dit totale gemis aan fantasie en invoeling in anderer toestand heeft mij menige hartgrondige verwensing tussen de tanden stuk doen kraken.
Wij hebben in Amersfoort niet ’t allerergste meegemaakt, al zijn er buitenleerlingen geweest, die bij hun thuiskomst van hun huis geen steen meer op den anderen vonden; maar de angst, de vlucht, de geestelijke en lichamelijke ontreddering der evacuatie, die allen, leraren en leerlingen, hebben moeten doorstaan, waren grond genoeg voor wat overleg. Clementie vraag ik niet! Ik heb alles met ambtelijk gezicht meegedeeld, maar de reactie, al bleef ieder plichtmatig in den vorm, was bij allen dezelfde: die van een opstandige verontwaardiging en bitterheid.
Ik zond alle leerlingen bericht dat Dinsdag 21 en Woensdag 22 (Afd B) de lessen zouden beginnen. Zondag kwam Rozendaal binnen. Hij vroeg mij of niet ’t eerste, wat ik in school doen zou, zou zijn: ’t portret van de Koningin buiten te smijten. Ik bracht hem tot kalmer gedachten.
De Visschers waren Zaterdag naar hun eigen woning vertrokken. Zo was ’t weer stil in ons huis. Thans kwamen de treinen met evacuanten weer regelmatig aan en de stad kreeg een levendiger aanzien. Maar wat een haveloos aanzien bood alles nog met al dat prikkeldraad, die omgekapte bomen, vergraven plantsoenen en die rommelige winkels met beplakte ruiten, die stapels zandzakken voor bankgebouwen enz. Veel moois (b.v. oude bomen) is verdwenen.
Hoe meer mensen terugkwamen, hoe meer gevallen bekend werden van roof en vernieling in de verlaten huizen: in de eerste plaats sigaren - en schoenwinkels. Men meende aanvankelijk de schuld te mogen werpen op de afgetrokken soldaten van ′t 7e Rgt (Amsterdammers!). Maar ’t bleek te duidelijk, dat in de allermeeste gevallen burgers, ja georganiseerde bendes met vrachtauto’s uit Utrecht) aan den gang zijn geweest.
’t Blijkt, dat, zolang de politie bestaat, het moeilijk uit te maken is, wie een schurk is en wie niet. Met maatschappelijken welstand heeft dit niet te maken: Vertelde niet juffr. Schueller, dat na ’t bombardement van Nijkerk, in de puinhopen van den winkel van haar neef een welgestelde boer was aangetroffen, die voorzien van een paar manden aan ’t zoeken was naar nog bruikbaar glas - en kristalwerk!
Vertelde Jaap van Maanen van Hoevelaken niet, dat volgens een ouderling de dieven die zijn (Jaap) vaders winkel hebben leeggestolen, moeten gezocht worden onder de luitjes, die elken zondag vooraan in de kerk zitten en ’t ijverigst den dominee nalopen. Zo is ’t nu – maar in 1914 was ’t in Dendermonde en ook in Zeeuws - Vlaanderen ’t zelfde. ’t Gaat met de veredeling van ’t menselijk geslacht een sukkelgangetje.
In Rotterdam ging ’t niet anders. Gerard schrijft, dat Frans als lid van een nachtelijke hulp - veiligheidsdienst al tweemaal zo’n rover tegen den grond heeft moeten slaan. In Zeeuws - Vlaanderen – schrijft Karel – hebben de vluchtende Waalse soldaten op ergerlijke manier in de dorpen Baalhoek, De Paal en Emmahaven den baas gespeeld.
Omtrent de Duitsers niets dan lof. ’t Is triest dit alles te moeten zeggen vooral van ons volk; maar de Führer schijnt een groot paedagoog te zijn. Hij heeft andere tuchtmiddelen dan onze kerken en scholen, maar zijn resultaten zijn beter.
16 mei 1940 (donderdag)
Ik meld mij weer bij de voedselvoorziening. Het koken in O.L.Vr. ter Eem is reeds sinds den vorigen dag in vollen gang. Roos en Toos helpen mee. Mr Van ’t Eind voert de administratie maar heeft hulp genoeg. In den voorraadkelder is men aan ’t sorteren. Ik help mee, maar als na een uur of 3 sjouwen, wat orde is geschapen en ’t blijkt, dat ik alleen sjouwwerk kan doen, geef ik Van ’t Eind mijn telefoonnummer en houd mij thuis beschikbaar voor een passende taak.
Daar nu meer en meer inwoners ook vrouwen, weer de stad binnensijpelen, wordt de behoefte aan intensificering minder, zodat men geen beslag meer op mij heeft gelegd. Ik kan dus mijn gedachten bepalen bij de school en – ’t eindexamen. Ik bel Woensdag nog den Inspecteur te Utrecht op. ’t Hart is ontroerd „als hij weer een stem uit Amersfoort hoort” Ik zeg, dat ’t mijn bedoeling is, zo spoedig mogelijk te beginnen. Hij onderbreekt mij: „Dat is prachtig maar jammer genoeg zal Oostveen (H. A.) morgen Donderdag nog niet kunnen komen!! Ik tracht hem te beduiden, dat van schooldoen de eerste dagen nog niets zal kunnen komen, daar alle leraren en leerlingen geëvacueerd zijn. Als hij nu nog zegt, dat hij ook een nacht elders heeft moeten slapen, begrijp ik, dat ik geen moeite moet doen om hem iets van den toestand in Amersfoort te doen beseffen en neem allerhartelijkst afscheid met de belofte hem op de hoogte te houden.
Dit geval staat niet alleen: inwoners van Zeist bleken ook absoluut buiten den stroom der feiten te staan. Met Mej. Houben uit Den Haag was ’t niet veel beter.
Daar nu meer en meer inwoners ook vrouwen, weer de stad binnensijpelen, wordt de behoefte aan intensificering minder, zodat men geen beslag meer op mij heeft gelegd. Ik kan dus mijn gedachten bepalen bij de school en – ’t eindexamen. Ik bel Woensdag nog den Inspecteur te Utrecht op. ’t Hart is ontroerd „als hij weer een stem uit Amersfoort hoort” Ik zeg, dat ’t mijn bedoeling is, zo spoedig mogelijk te beginnen. Hij onderbreekt mij: „Dat is prachtig maar jammer genoeg zal Oostveen (H. A.) morgen Donderdag nog niet kunnen komen!! Ik tracht hem te beduiden, dat van schooldoen de eerste dagen nog niets zal kunnen komen, daar alle leraren en leerlingen geëvacueerd zijn. Als hij nu nog zegt, dat hij ook een nacht elders heeft moeten slapen, begrijp ik, dat ik geen moeite moet doen om hem iets van den toestand in Amersfoort te doen beseffen en neem allerhartelijkst afscheid met de belofte hem op de hoogte te houden.
Dit geval staat niet alleen: inwoners van Zeist bleken ook absoluut buiten den stroom der feiten te staan. Met Mej. Houben uit Den Haag was ’t niet veel beter.
Abonneren op:
Posts (Atom)