Een paar dagen later echter zijn er werkelijk enige bommen gevallen en is tegenover Zon - en - Schild een klein brandje uitgebroken. De week van 1 – 7 September is het ’s nachts zeer rumoerig geweest. Zoeklichten, afweergeschut en bomontploffingen. Soms ver, soms zeer nabij, althans het afweergeschut, dat in de Birkt en ten Noorden van ’t Soesterkwartier moet staan. Waar de bommen gevallen zijn, verneemt men maar zelden.
De Koninginnedag (31 augustus) was een dag van spanning. Iedere vorm van viering, ieder vertoon van vlaggen of oranje was streng verboden. Men hield zich aan ’t verbod, al zouden er enkel bravour-stukjes zijn uitgehaald.
Men vertelt van 3 Spakenburgers, die met Oranje op de borst door de Langestraat wandelden. Een NSB.– er zou hun aan ’t verstand hebben willen brengen, dat dit verboden was, waarop zij hem bij de benen boven de gracht lieten bungelen, met ’t hoofd naar beneden, en hem onder bedreiging hem op zijn kop in ’t water te zullen laten vallen, dwongen 3 maal Oranje - Boven te roepen. Le non à vers ...! – ’s Middags was er een revue van een kilometerslange colonne gevechtsauto’s voor een groszes Tier voor de Witte en een muziekuitvoering door een militaire kapel.
Van een ontzien der gevoelens is hoe langer hoe minder meer sprake. Ook individuele staaltjes van driestheid komen voor: burgers, die ’s avonds laat van hun fiets beroofd worden door soldaten, die zich moeten haasten vóór ’t avond – appel binnen te zijn. Dat iemand ’s avonds met geweld zijn meisje zou zijn ontrukt zal wel aan verhitte fantasie ontsprongen zijn.
Bij ’t begin van den nieuwen cursus een paar opdrachten aan Directeuren van scholen, die te denken geven: 1e alle schoolbibliotheken sluiten en binnen een week alle uitgeleende nummers opvragen. 2e opgave doen van alle gebruikte boeken, atlassen, platen enz.
Andere onrustbarende verschijnselen: de voorzitter van den Bond v N.O. vervangen door den N.S.B-er Vlekke. De vrijmetselaarsloges ontbonden evenals de Rotaryclubs.
Hedenmiddag (6 Sept) vernam ik zelfs dat de onbetekenende Huisvrouwen-Vereniging niet meer mag vergaderen. Sensationeel is ook het verdwijnen van Dr Van Poelje, secretaris-generaal en vervangend Minister (op 6 Sept). In zijn plaats treedt op Reinink, die reeds secretaris der Nederlandse Unie schijnt te zijn geweest; sommigen zeggen: ambtenaar aan O.K. en W en ... N.S.B–er.
Kleine voorvallen tekenen den toestand. Kiel, H. d. Sch a. d. Weijerstraat ziet een namens de Kommandantur een officier in school verschijnen, die hem komt waarschuwen, dat l.l. van zijn school spotliedjes op den Führer hebben gezongen: „Holderdebolder, en Hitler moet op zolder”. Ritsma, HdS a/d Herenstraat vertelt mij, dat ook hij zo’n bezoek gehad heeft: deze klacht gold het werpen met stukken zode, waardoor een Duits officier getroffen was. Met een excuus kwam alles in orde.
Men kan de D. geen ongelijk geven: onze bevolking is in ’t algemeen gesloten, maar de haat is diep en de kinderen worden er niet steeds op de juiste wijze buiten gehouden. Erger is ’t geval, dat R. mij vertelde van een Frans HBS- leraar in Assen, die zijn leerlingen een der laatste redevoeringen van Paul Reynaud had laten vertalen, eindigend met den zin: „Vive la France!” Deze leraar is meegenomen en ... verdwenen. De directeur der school heeft er grote moeilijkheden mee gekregen.
– De Directeur der H.B.S. te Amersfoort, Dr Beth, is moeten optreden tegen zijn leerlingen, die den zoon van Frima bij de school molesteerden, toen hij in N.S.B.-uniform voorbijkwam. Die uniform werkt op de jeugd als een rode lap op een stier.
Waarom zijn die mensen zo hardnekkig in hun pogingen om voor de Duitsers het Nederlandse volk te willen representeren? Zien de D. dan niet in, dat, door dit toe te laten, zij het de goedgezinde Nederlanders onmogelijk maken zich te her - oriënteren? Dezen hebben het al moeilijk genoeg; ook waar zij verstandelijk aan de zijde van de Duitse zaak staan, moeten zij zich bedwingen in hun gevoelens van smart, teleurstelling en vernedering bij de steeds opwellende herinneringen aan den overval op 10 Mei. En als was die handelwijze dan ook onvermijdelijk in ’t kader van den groten strijd, dan nog heeft men de bitterste gevoelens voor een groep der eigen bevolking, die daarbij handlangersdiensten heeft verricht.
Daarbij komt voor de „objectieven” en goedwillenden de last, dien zij ondervinden van de allerzonderlingste houding van velen der ontwikkelden der betere bevolking, die eenvoudig bot en verbeten weigeren enig begrip van den juisten toestand te ontwikkelen. Zij lezen geen krant meer, luisteren niet meer naar radio -berichten, geloven alleen hartstochtelijk aan Engelse leugens en dwaze verzinsels van fantasten en zijn trots, ieder feit, dat niet in hun hersenschim past, eenvoudig gladweg af te wijzen. Voor hen bestaat alleen de waarheid van hun droom en allen die niet blind meegeloven zijn karakterlozen en onbetrouwbaren.
De Sociëteit Amicitia zit vol van deze door dik-en-dun-fantasten. Er zijn heel wat oud–officieren en Indische mensen met pensioen bij ....!
De H.B.S. is in beslag genomen door den „Opbouwdienst” (de restanten van ons voormalige leger, die wegens gebrek aan werk nog niet door de maatschappij kunnen worden opgenomen en nu met een witten driehoek op den linkermouw – „breed opgezet maar ’t loopt uit op niks” betekent dat volgens sommigen! – een zielige parodie leveren op den Duitsen arbeidsdienst). Dat duurt al de hele maand September en de lessen kunnen niet beginnen. De gemeente heeft lokaliteiten maar ’t Rijk wil den gevraagden, zeer hogen huurprijs niet betalen; de zaak zit hopeloos vast!
Zulke schande moet men meemaken terwijl de kranten, de oude partijen, de nieuwe formaties eenheid preken, eenheid die ons volk kan redden, die de Duitsers wensen, waartoe Seysz-Inquart ons vermaant. Neen, ons land kan zich niet opwerken tot eenheid. Hier is geen grootmoedige hulp van Nederlanders aan Nederlanders mogelijk: de Gemeente heeft haar formule voor huurberekening, ’t Rijk, als steeds lauw voor onderwijsbelangen, wil ’t niet betalen – en de jeugd is de dupe.
Tenslotte is ’t de ouders te machtig geworden en een commissie heeft zich met den Directeur gewend tot - - - de Orts-Kommandantur! Zover moest ’t komen! Wat zal die Duitser een schik gehad hebben bij de figuur die ons zelfbewuste Nederland daar sloeg: een deputatie van deftige Hollandse Heren, die den soldaat komen smeken met het zwaard den knoop door te hakken, waarin zij verward zitten. ’t Is hartverheffend!
26 augustus 1940 (maandag)
Wij waren in Soesterberg: langs de fietspaden is dit alleen via Den Dolder te bereiken; de meeste wegen zijn afgesloten. Aan ’t einde van den Postweg, vlak bij ’t pavilioen zagen wij een groep toeschouwers. Wij erheen. Tot onze verbazing was er niemand, die ’t ons belette.
Er stonden een 50 voetgangers en fietsers vlak bij de startbaan in aanleg. Over de baan reden ook burgers en een paar meisjes. Wij wilden er ook met de fiets op, maar een Hollandse opzichter ontried ons dit toch, zeggende dat die meisjes tot ’t personeel van ’t vliegveld behoorden. Wij dus weer braaf aan den kant. Plotseling komt een Duits onderofficier op ons toegereden: „Ja, is das denn hier ein Zuschauerraum? Zivilisten haben hier nichts zu tun. Alle fort”. Wij gingen gehoorzaam heen.
Vlakbij echter, op nog geen 50 M afstand, was een boerderijtje, waar men melk per glas verkocht. Wij gingen er zitten en wilden nu eens ter plaatse informeren naar de echtheid van alle in Amersfoort circulerende verhalen van de geregelde bomaanvallen der Engelsen op Soesterberg. De vrouw zei: „Wij zitten hier zeer rustig en hebben nog niets beleefd, behalve dat eenmaal, aan ’t andere eind van ’t veld, een bom op een officiers - cantine gevallen is en 11 slachtoffers heeft gemaakt. Wij begrijpen alleen niet, hoe ’t zo rustig blijft”. Op onze vraag, wat er waar was van de verhalen over overvliegende Hollandse vliegers uit Engeland, die per loud-speaker mededelingen deden over hun plannen, begon zij hartelijk te lachen. Alles was bare onzin! Dat zijn nu de verhalen van Lezer en consorten.
Er stonden een 50 voetgangers en fietsers vlak bij de startbaan in aanleg. Over de baan reden ook burgers en een paar meisjes. Wij wilden er ook met de fiets op, maar een Hollandse opzichter ontried ons dit toch, zeggende dat die meisjes tot ’t personeel van ’t vliegveld behoorden. Wij dus weer braaf aan den kant. Plotseling komt een Duits onderofficier op ons toegereden: „Ja, is das denn hier ein Zuschauerraum? Zivilisten haben hier nichts zu tun. Alle fort”. Wij gingen gehoorzaam heen.
Vlakbij echter, op nog geen 50 M afstand, was een boerderijtje, waar men melk per glas verkocht. Wij gingen er zitten en wilden nu eens ter plaatse informeren naar de echtheid van alle in Amersfoort circulerende verhalen van de geregelde bomaanvallen der Engelsen op Soesterberg. De vrouw zei: „Wij zitten hier zeer rustig en hebben nog niets beleefd, behalve dat eenmaal, aan ’t andere eind van ’t veld, een bom op een officiers - cantine gevallen is en 11 slachtoffers heeft gemaakt. Wij begrijpen alleen niet, hoe ’t zo rustig blijft”. Op onze vraag, wat er waar was van de verhalen over overvliegende Hollandse vliegers uit Engeland, die per loud-speaker mededelingen deden over hun plannen, begon zij hartelijk te lachen. Alles was bare onzin! Dat zijn nu de verhalen van Lezer en consorten.
9 augustus 1940 (vrijdag)
Met den trein naar Rhenen; vandaar op de fiets verder. Rhenen is deerlijk geteisterd: ’t gehele oude centrum om de Cunera - kerk is één puinenveld. Men was nog bezig met opruimen en ... nablussen! Na 3 maanden rookte het nog in een uitgebrand meelpakhuis. Tussen de puinen verrezen, van buiten gezien onbeschadigd 3 bakkersovens, die brand en instortingen hadden overleefd. In de Cunera - kerk waren ontelbare ruiten vernield. De toren echter is slechts even van terzijde getroffen; de schade is onbetekenend.
Aangrijpend is een bezoek aan de graven der gesneuvelden op den Grebbeberg. Daar liggen in massa-graven van 50, ongeveer 650 gesneuvelden, waaronder 150 Duitsers. De graven liggen onder hoge dennen, omsloten door hekken van ruwe dennenstammen: alles keurig onderhouden en goed bewaakt. Voetje voor voetje schuifelden honderden bezoekers er langs, lezende de namen op de bordjes en kruisen. Aandoenlijk waren vele grafschriften: de laatste groeten van ouders, vrouwen en kinderen en verloofden. Vele graven waren bedekt met kransen van wapenmakkers; op vele lag een doorschoten helm of stak een roestig geweer in den grond. Een matroos lag er ook, zijn muts onder glas in een ijzeren trommel op ’t graf. Bekende namen vonden wij er niet behalve dien van Majoor Jacometti. Groot was echter ’t aantal graven met ’t bordje: onbekende soldaat. Alle gravenreeksen, ook de Duitse, waren met bloeiende lila hortensia’s beplant. Bij den ingang was een rijwiel-afgifte à 10 cts.: „opbrengst komt ten goede aan den wederopbouw van Rhenen.” Och ja, die arme jongens hebben hun leven voor Rhenen alleen niet gelaten en hun die de belangen van Rhenen behartigen kan men ’t niet kwalijk nemen, dat zij in den toeloop van publiek een klein profijtje zien. Maar ’t doet toch tragisch aan te bedenken dat zij, die hun levens lieten voor een hopeloze zaak na hun dood nog aan ’t herstel van de geleden schade bijdragen.
Wageningen is er ook ernstig aan toe: ’t oude centrum met de kerk liggen in puin. De gehele Gelderse vallei door ziet men van afstand tot afstand in overigens onbeschadigd gebied een in puin geschoten boerderij, een uitgebrande villa, de resten van een molen of fabriek; al is dit alles bij Rotterdam niet te vergelijken, de schade in deze streek, van Amersfoort af tot Wageningen toe is samengenomen zeer, zeer groot.
De toebereidselen der D. voor den knock-out van Engeland nemen zienderogen toe. Ontzettend lange treinen met paarden (waarvoor?), auto’s (waarom per spoor?), tanks en kanonnen rollen dag en nacht Amersfoort door. Overdag ziet men weinig vliegtuigen, en dan alleen Duitse; ’s nachts echter is ’t geronk soms in geen uren van de lucht en men kan dan de Engelse Spit-fire’s zeer goed onderscheiden aan hun hogen, hollen en intermitterenden bromtoon. Amersfoort ligt vol troepen; thans vliegers, flak-personeel en vooral de SS-formaties. Met behulp van een zakboekje met afbeeldingen begin ik er wat kijk op te krijgen. De bevolking gedraagt zich uitermate koel tegenover hen; zij zelf trouwens lokken niet uit tot toenadering. De vrouwen en meisjes blijven afkerig. „Men” zegt, dat de D. legerleiding daarom, gedwongen, voor aanvoer van Duitse „liefde” zorgt. In Soest zou er een school voor dienen. Ik zelf heb zo iets hier niet kunnen constateren.
Triest is voor mij steeds ’t gezicht van onzen „Opbouwdienst” d.w.z. grote groepen van ons leger, die bij gebrek aan werk niet in de maatschappij konden worden opgenomen en nu gekazerneerd in scholen moeten trachten met wat doellozen grondarbeid, exerceren, zingen en gymnastiek nieuwe idealen op te bouwen; alles natuurlijk op een koopje, want ’t mag niet veel kosten. Als zij met het witte driehoekje op den bovenmouw in colonne zingend voorbijtrekken kan ik niet nalaten hen te groeten; zij wenken dan terug, dankbaar, dat nog iemand notitie van hen neemt. Zij zouden niet behoeven te blijven; zij zouden naar Duitsland kunnen gaan werken. Misschien zullen zij voor en na wel daartoe overgaan, want ik stel mij voor, dat deze zinloze vertoning een gezonden jongen kerel moet walgen.
Aangrijpend is een bezoek aan de graven der gesneuvelden op den Grebbeberg. Daar liggen in massa-graven van 50, ongeveer 650 gesneuvelden, waaronder 150 Duitsers. De graven liggen onder hoge dennen, omsloten door hekken van ruwe dennenstammen: alles keurig onderhouden en goed bewaakt. Voetje voor voetje schuifelden honderden bezoekers er langs, lezende de namen op de bordjes en kruisen. Aandoenlijk waren vele grafschriften: de laatste groeten van ouders, vrouwen en kinderen en verloofden. Vele graven waren bedekt met kransen van wapenmakkers; op vele lag een doorschoten helm of stak een roestig geweer in den grond. Een matroos lag er ook, zijn muts onder glas in een ijzeren trommel op ’t graf. Bekende namen vonden wij er niet behalve dien van Majoor Jacometti. Groot was echter ’t aantal graven met ’t bordje: onbekende soldaat. Alle gravenreeksen, ook de Duitse, waren met bloeiende lila hortensia’s beplant. Bij den ingang was een rijwiel-afgifte à 10 cts.: „opbrengst komt ten goede aan den wederopbouw van Rhenen.” Och ja, die arme jongens hebben hun leven voor Rhenen alleen niet gelaten en hun die de belangen van Rhenen behartigen kan men ’t niet kwalijk nemen, dat zij in den toeloop van publiek een klein profijtje zien. Maar ’t doet toch tragisch aan te bedenken dat zij, die hun levens lieten voor een hopeloze zaak na hun dood nog aan ’t herstel van de geleden schade bijdragen.
Wageningen is er ook ernstig aan toe: ’t oude centrum met de kerk liggen in puin. De gehele Gelderse vallei door ziet men van afstand tot afstand in overigens onbeschadigd gebied een in puin geschoten boerderij, een uitgebrande villa, de resten van een molen of fabriek; al is dit alles bij Rotterdam niet te vergelijken, de schade in deze streek, van Amersfoort af tot Wageningen toe is samengenomen zeer, zeer groot.
De toebereidselen der D. voor den knock-out van Engeland nemen zienderogen toe. Ontzettend lange treinen met paarden (waarvoor?), auto’s (waarom per spoor?), tanks en kanonnen rollen dag en nacht Amersfoort door. Overdag ziet men weinig vliegtuigen, en dan alleen Duitse; ’s nachts echter is ’t geronk soms in geen uren van de lucht en men kan dan de Engelse Spit-fire’s zeer goed onderscheiden aan hun hogen, hollen en intermitterenden bromtoon. Amersfoort ligt vol troepen; thans vliegers, flak-personeel en vooral de SS-formaties. Met behulp van een zakboekje met afbeeldingen begin ik er wat kijk op te krijgen. De bevolking gedraagt zich uitermate koel tegenover hen; zij zelf trouwens lokken niet uit tot toenadering. De vrouwen en meisjes blijven afkerig. „Men” zegt, dat de D. legerleiding daarom, gedwongen, voor aanvoer van Duitse „liefde” zorgt. In Soest zou er een school voor dienen. Ik zelf heb zo iets hier niet kunnen constateren.
Triest is voor mij steeds ’t gezicht van onzen „Opbouwdienst” d.w.z. grote groepen van ons leger, die bij gebrek aan werk niet in de maatschappij konden worden opgenomen en nu gekazerneerd in scholen moeten trachten met wat doellozen grondarbeid, exerceren, zingen en gymnastiek nieuwe idealen op te bouwen; alles natuurlijk op een koopje, want ’t mag niet veel kosten. Als zij met het witte driehoekje op den bovenmouw in colonne zingend voorbijtrekken kan ik niet nalaten hen te groeten; zij wenken dan terug, dankbaar, dat nog iemand notitie van hen neemt. Zij zouden niet behoeven te blijven; zij zouden naar Duitsland kunnen gaan werken. Misschien zullen zij voor en na wel daartoe overgaan, want ik stel mij voor, dat deze zinloze vertoning een gezonden jongen kerel moet walgen.
Abonneren op:
Posts (Atom)